Babyboomers die beweren dat ze “alles goed hebben gedaan”, blijken vaak kinderen te hebben die hun eigen emoties niet kunnen herkennen – The Expert Editor

In een tijd waarin emotionele intelligentie steeds meer wordt gezien als een belangrijk deel van persoonlijke en professionele ontwikkeling, groeit de discussie over hoe de babyboomgeneratie (de “Boomers”) hun kinderen heeft opgevoed. De vraag is of ouders die vaak denken dat ze “alles goed hebben gedaan” genoeg aandacht hebben besteed aan de emotionele kant van opgroeien.
Opvoeding gericht op prestatie
Veel Boomers legden de nadruk op materiële en academische prestaties. Ze boden stabiele huizen en wezen op het belang van onderwijs en carrièrekansen. Voor de verteller, zelf Boomer, draaide het om objectieve succesindicatoren zoals cijfers en trofeeën.
Die aanpak ging vaak ten koste van emotioneel bewustzijn. De verteller herinnert zich hoe zij voetbaltrainingen, bijlessen en studiefondsen regelden, bij elke schoolvoorstelling en honkbalwedstrijd aanwezig waren, en alle vakjes op de ‘goede ouderschap’-checklist afvinkten. Tastbaar succes kreeg prioriteit boven het bespreken van gevoelens.
Het emotionele leerplan: “stop met huilen”
Met opmerkingen als “grote jongens huilen niet” en “je bent te gevoelig” probeerden Boomers hun kinderen klaar te stomen voor een moeilijke wereld. Het idee was veerkracht bijbrengen, maar vaak leidde het juist tot het onderdrukken van emoties.
Toen het middelste kind van de verteller angst kreeg tijdens de middelbare school, reageerden de ouders instinctief met “doorzetten”. Dat zorgde voor een generatie die leerde emoties te verbergen en te doen alsof alles “prima” was. Veel van deze kinderen zochten later therapie om te leren omgaan met die onderdrukte gevoelens.
Een model van emotionele onderdrukking
Boomers lieten hun emoties vaak op indirecte manieren zien. Boosheid werd genegeerd door het gazon te maaien, frustratie werd weggestopt met overwerk, en verdriet werd verzacht met een biertje en het kijken naar een wedstrijd. Kinderen die dit gedrag zagen, leerden emoties te zien als iets gevaarlijks of iets om te verbergen — of om in uitbarstingen te laten ontploffen.
Decennialange observatie van zulke patronen heeft geleid tot een generatie die gevoelens als problemen beschouwt die snel opgelost moeten worden.
De misvatting van stabiliteit
Voor veel Boomers stond stabiliteit gelijk aan een rustige, ordelijke thuisomgeving met zo min mogelijk drama. Helaas werd die stabiliteit vaak verward met het afwezig zijn van emoties. Verdriet hoorde alleen bij begrafenissen, en blijdschap mocht er zijn, maar niet te veel.
Het gevolg was dat gevoelens genegeerd werden of behandeld als sporadische, ongewenste bezoekers in plaats van als normale onderdelen van het dagelijks leven.
De voortdurende invloed en herstel
Volwassen kinderen hebben daardoor vaak moeite om hun emotionele behoeften te verwoorden, wat hun relaties beïnvloedt. Ze blijven soms in onbevredigende banen omdat ze het verschil niet duidelijk kunnen zien tussen uitdaging en lijden.
Er is echter hoop. Jongere generaties pakken deze patronen aan door therapie, door emotionele intelligentie te bestuderen en door gevoelswoorden te leren alsof het een nieuwe taal is. Dat biedt kansen voor beide generaties om te groeien.
De verteller, zelf in de eind zestig, erkent met verdriet en helderheid dat traditionele ideeën over ouderschap sommige belangrijke elementen misten. Ze begint nu emoties opener te delen met haar volwassen kinderen, wat hun relaties verdiept. De boodschap is krachtig: het is nooit te laat om te leren en te veranderen. Het pleidooi om verder te kijken dan de verdediging van “nou, je bent toch prima geworden” roept iedereen op om serieus werk te maken van echte emotionele groei.